afleren

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
to unlearn
Uitspraak: /ˈɑfˌleːrə(n)/
Voorbeeld
Het is moeilijk om slechte gewoontes af te leren.
Vervoeging
ikleer af
jijleert af
hijleert af
wijleren af
jullieleren af
zijleren af
Verleden tijd
lerde / lerden
Voltooid deelwoord
hebbengeaflerd
Gebiedende wijs
ler
Voorwaardelijke wijs
zou afleren
Toekomende tijd
zal afleren
Scheidbaar werkwoord