afmaken

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
afmaken
Uitspraak: /ˈɑfmaːkə(n)/
Voorbeeld
Ik moet mijn huiswerk afmaken.
Vervoeging
ikmaak af
jijmaakt af
hijmaakt af
wijafmaken
jullieafmaken
zijafmaken
Verleden tijd
maakte af / maakten af
Voltooid deelwoord
hebbenafgemaakt
Gebiedende wijs
maak af
Voorwaardelijke wijs
zou afmaken
Toekomende tijd
zal afmaken
Scheidbaar werkwoord