afregelen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to adjust
Uitspraak: /ˈɑfˌreːɣələ(n)/
Voorbeeld
De technicus moet de machine afregelen.
Vervoeging
| ik | afregel |
| jij | afregelt |
| hij | afregelt |
| wij | afregelen |
| jullie | afregelen |
| zij | afregelen |
Verleden tijd
regelde / regelden
Voltooid deelwoord
hebbengeafregeld
Gebiedende wijs
regel
Voorwaardelijke wijs
zou afregelen
Toekomende tijd
zal afregelen
Scheidbaar werkwoord