afrekenen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
settle
Uitspraak: /ˈɑfˌreːkə(n)/
Voorbeeld
Ik wil graag afrekenen, alstublieft.
Vervoeging
| ik | reken af |
| jij | rekent af |
| hij | rekent af |
| wij | afrekenen |
| jullie | afrekenen |
| zij | afrekenen |
Verleden tijd
rekende / rekenden
Voltooid deelwoord
hebbengeafrekend
Gebiedende wijs
reken
Voorwaardelijke wijs
zou afrekenen
Toekomende tijd
zal afrekenen
Scheidbaar werkwoord