afrijden
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to drive off
Uitspraak: /ˈɑfˌrɛidə(n)/
Voorbeeld
Hij moet zijn rijexamen afrijden.
Vervoeging
| ik | rijd af |
| jij | rijdt af |
| hij | rijdt af |
| wij | afrijden |
| jullie | afrijden |
| zij | afrijden |
Verleden tijd
rijdde / rijdden
Voltooid deelwoord
hebbengeafrijdd
Gebiedende wijs
rijd
Voorwaardelijke wijs
zou afrijden
Toekomende tijd
zal afrijden
Scheidbaar werkwoord