afsluiten

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
afsluiten
Uitspraak: /ˈɑfˌslœytə(n)/
Voorbeeld
Hij gaat de vergadering afsluiten.
Vervoeging
iksluit af
jijsluit af
hijsluit af
wijsluiten af
julliesluiten af
zijsluiten af
Verleden tijd
sloot af / sloten af
Voltooid deelwoord
hebbenafgesloten
Gebiedende wijs
sluit af
Voorwaardelijke wijs
zou afsluiten
Toekomende tijd
zal afsluiten
Scheidbaar werkwoord