afspelen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
to play
Uitspraak: /ˈɑfˌspeːlə(n)/
Voorbeeld
Ze besloot de video opnieuw af te spelen.
Vervoeging
ikspeel af
jijspeelt af
hijspeelt af
wijspelen af
julliespelen af
zijspelen af
Verleden tijd
spelde / spelden
Voltooid deelwoord
hebbengeafspeld
Gebiedende wijs
spel
Voorwaardelijke wijs
zou afspelen
Toekomende tijd
zal afspelen
Scheidbaar werkwoord