afstaan

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
to give up
Uitspraak: /ˈɑfˌstaːn/
Voorbeeld
Hij moest zijn plaats afstaan aan een oudere dame.
Vervoeging
iksta af
jijstaat af
hijstaat af
wijstaan af
julliestaan af
zijstaan af
Verleden tijd
staande / staanden
Voltooid deelwoord
hebbengeafstaand
Gebiedende wijs
staan
Voorwaardelijke wijs
zou afstaan
Toekomende tijd
zal afstaan
Scheidbaar werkwoord