afzeggen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
cancel
Uitspraak: /ˈɑfˌzɛɣə(n)/
Voorbeeld
Hij moest de afspraak afzeggen.
Vervoeging
ikzeg af
jijzegt af
hijzegt af
wijzeggen af
julliezeggen af
zijzeggen af
Verleden tijd
zeggde / zeggden
Voltooid deelwoord
hebbengeafzeggd
Gebiedende wijs
zegg
Voorwaardelijke wijs
zou afzeggen
Toekomende tijd
zal afzeggen
Scheidbaar werkwoord