afzien

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
to foresee
Uitspraak: /ˈɑfˌziːə(n)/
Voorbeeld
Na de zware training moest hij veel afzien.
Vervoeging
ikzie af
jijziet af
hijziet af
wijzien af
julliezien af
zijzien af
Verleden tijd
zide / ziden
Voltooid deelwoord
hebbengeafzid
Gebiedende wijs
zi
Voorwaardelijke wijs
zou afzien
Toekomende tijd
zal afzien
Scheidbaar werkwoord