bakken
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
bakken
Uitspraak: /ˈbɑkən/
Voorbeeld
Zij bakt elke zondag een taart.
Vervoeging
| ik | bak |
| jij | bakt |
| hij | bakt |
| wij | bakken |
| jullie | bakken |
| zij | bakken |
Verleden tijd
bakte / bakten
Voltooid deelwoord
hebbengebakken
Gebiedende wijs
bak
Voorwaardelijke wijs
zou bakken
Toekomende tijd
zal bakken
zelfstandig naamwoorda1
Vertaling
bakken
Uitspraak: /ˈbɑkə(n)/
Voorbeeld
Ze houdt van bakken in haar vrije tijd.