bergen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
opbergen
Uitspraak: /ˈbɛrɣə(n)/
Voorbeeld
Hij moet zijn spullen bergen voordat de storm komt.
Vervoeging
ikberg
jijbergt
hijbergt
wijbergen
julliebergen
zijbergen
Verleden tijd
borg / borgen
Voltooid deelwoord
hebbengeborgen
Gebiedende wijs
berg
Voorwaardelijke wijs
zou bergen
Toekomende tijd
zal bergen
zelfstandig naamwoorda1
Vertaling
opbergen
Uitspraak: /ˈbɛrɣə(n)/
Voorbeeld
De bergen zijn bedekt met sneeuw.