bijslapen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to sleep alongside
Uitspraak: /ˈbɛi̯ˌslaːpə(n)/
Voorbeeld
Ik moet dit weekend echt bijslapen.
Vervoeging
| ik | bijslaap |
| jij | bijslaapt |
| hij | bijslaapt |
| wij | bijslapen |
| jullie | bijslapen |
| zij | bijslapen |
Verleden tijd
slapte / slapten
Voltooid deelwoord
hebbengebijslapt
Gebiedende wijs
slap
Voorwaardelijke wijs
zou bijslapen
Toekomende tijd
zal bijslapen
Scheidbaar werkwoord