bijspelen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to play alongside
Uitspraak: /ˈbɛi̯ˌspeːlə(n)/
Voorbeeld
Hij moet nog een paar rondes bijspelen om te winnen.
Vervoeging
| ik | bijspel |
| jij | bijspelt |
| hij | bijspelt |
| wij | bijspelen |
| jullie | bijspelen |
| zij | bijspelen |
Verleden tijd
spelde / spelden
Voltooid deelwoord
hebbengebijspeld
Gebiedende wijs
spel
Voorwaardelijke wijs
zou bijspelen
Toekomende tijd
zal bijspelen
Scheidbaar werkwoord