binden
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to bind
Uitspraak: /ˈbɪn.də(n)/
Voorbeeld
Hij moet zijn schoenen goed binden voordat hij gaat rennen.
Vervoeging
| ik | bind |
| jij | bindt |
| hij | bindt |
| wij | binden |
| jullie | binden |
| zij | binden |
Verleden tijd
bond / bonden
Voltooid deelwoord
hebbengebonden
Gebiedende wijs
bind
Voorwaardelijke wijs
zou binden
Toekomende tijd
zal binden