blazen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
blazen
Uitspraak: /ˈblaːzə(n)/
Voorbeeld
De kinderen blazen bellen in de tuin.
Vervoeging
ikblaas
jijblaast
hijblaast
wijblazen
jullieblazen
zijblazen
Verleden tijd
blies / bliezen
Voltooid deelwoord
hebbengeblazen
Gebiedende wijs
blaas
Voorwaardelijke wijs
zou blazen
Toekomende tijd
zal blazen