branden
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
branden
Uitspraak: /ˈbrɑndə(n)/
Voorbeeld
De kaarsen branden gezellig op tafel.
Vervoeging
| ik | brand |
| jij | brandt |
| hij | brandt |
| wij | branden |
| jullie | branden |
| zij | branden |
Verleden tijd
brandde / brandden
Voltooid deelwoord
hebbengebrand
Gebiedende wijs
brand
Voorwaardelijke wijs
zou branden
Toekomende tijd
zal branden