budgetteren
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
budget
Uitspraak: /bɵdʒɛˈteːrə(n)/
Voorbeeld
We moeten beter budgetteren om geld te besparen.
Vervoeging
| ik | budgetteer |
| jij | budgetteert |
| hij | budgetteert |
| wij | budgetteren |
| jullie | budgetteren |
| zij | budgetteren |
Verleden tijd
budgetterde / budgetterden
Voltooid deelwoord
hebbengebudgetterd
Gebiedende wijs
budgetter
Voorwaardelijke wijs
zou budgetteren
Toekomende tijd
zal budgetteren