carpoolen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
carpool
Uitspraak: /ˈkɑrˌpul/
Voorbeeld
We carpoolen elke dag naar het werk.
Vervoeging
ikcarpool
jijcarpoolt
hijcarpoolt
wijcarpoolen
julliecarpoolen
zijcarpoolen
Verleden tijd
carpoolde / carpoolden
Voltooid deelwoord
hebbengecarpoold
Gebiedende wijs
carpool
Voorwaardelijke wijs
zou carpool
Toekomende tijd
zal carpool