coachen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
to coach
Uitspraak: /ˈkoːtʃə(n)/
Voorbeeld
Hij gaat het voetbalteam coachen.
Vervoeging
ikcoach
jijcoacht
hijcoacht
wijcoachen
julliecoachen
zijcoachen
Verleden tijd
coachde / coachden
Voltooid deelwoord
hebbengecoachd
Gebiedende wijs
coach
Voorwaardelijke wijs
zou coachen
Toekomende tijd
zal coachen