drinken

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
drinken
Uitspraak: /ˈdrɪŋ.kə(n)/
Voorbeeld
Wil je iets te drinken?
Vervoeging
ikdrink
jijdrinkt
hijdrinkt
wijdrinken
julliedrinken
zijdrinken
Verleden tijd
dronk / dronken
Voltooid deelwoord
hebbengedronken
Gebiedende wijs
drink
Voorwaardelijke wijs
zou drinken
Toekomende tijd
zal drinken
zelfstandig naamwoorda1
het
Vertaling
drinken
Uitspraak: /ˈdrɪŋkən/
Voorbeeld
Water is een gezond drinken.