evacueren

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
to evacuate
Uitspraak: /eː.vaːˈkɥeː.rə(n)/
Voorbeeld
De brandweer moest het gebouw evacueren.
Vervoeging
ikevacueer
jijevacueert
hijevacueert
wijevacueren
jullieevacueren
zijevacueren
Verleden tijd
evacuerde / evacuerden
Voltooid deelwoord
hebbengeevacuerd
Gebiedende wijs
evacuer
Voorwaardelijke wijs
zou evacueren
Toekomende tijd
zal evacueren