factureren

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
invoice
Uitspraak: /fɑktyˈreːrə(n)/
Voorbeeld
We moeten de klant elke maand factureren.
Vervoeging
ikfactureer
jijfactureert
hijfactureert
wijfactureren
julliefactureren
zijfactureren
Verleden tijd
facturerde / facturerden
Voltooid deelwoord
hebbengefacturerd
Gebiedende wijs
facturer
Voorwaardelijke wijs
zou factureren
Toekomende tijd
zal factureren