fietsen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to cycle
Uitspraak: /ˈfitsən/
Voorbeeld
We gaan elke zondag fietsen in het park.
Vervoeging
| ik | fiets |
| jij | fietst |
| hij | fietst |
| wij | fietsen |
| jullie | fietsen |
| zij | fietsen |
Verleden tijd
fietste / fietsten
Voltooid deelwoord
hebbengefietst
Gebiedende wijs
fiets
Voorwaardelijke wijs
zou fietsen
Toekomende tijd
zal fietsen