gaan

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
gaan
Uitspraak: /ɣaːn/
Voorbeeld
We gaan morgen naar het strand.
Vervoeging
ikga
jijgaat
hijgaat
wijgaan
julliegaan
zijgaan
Verleden tijd
ging / gingen
Voltooid deelwoord
zijngegaan
Gebiedende wijs
ga
Voorwaardelijke wijs
zou gaan
Toekomende tijd
zal gaan