genezen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoordb1
Vertaling
genezen
Uitspraak: /ɣəˈneː.zə(n)/
Voorbeeld
De dokter helpt de patiënt genezen.
Vervoeging
ikgenees
jijgeneest
hijgeneest
wijgenezen
julliegenezen
zijgenezen
Verleden tijd
genas / genazen
Voltooid deelwoord
hebben/zijngenezen
Gebiedende wijs
genees
Voorwaardelijke wijs
zou genezen
Toekomende tijd
zal genezen
bijvoeglijk naamwoorda1
Vertaling
genezen
Uitspraak: /ɣəˈneː.zə(n)/
Voorbeeld
De wond is volledig genezen.