gezin
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
zelfstandig naamwoorda2
het
Vertaling
gezin
Uitspraak: /ɣəˈzɪn/
Voorbeeld
Het gezin ging samen op vakantie.
Meervoud
gezinnen
Verkleinwoord
gezinnetje