grazen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb2
Vertaling
grazen
Uitspraak: /ˈɣraː.zə(n)/
Voorbeeld
De koeien staan in de wei te grazen.
Vervoeging
| ik | graas |
| jij | graast |
| hij | graast |
| wij | grazen |
| jullie | grazen |
| zij | grazen |
Verleden tijd
graasde / graasden
Voltooid deelwoord
hebbengegraasd
Gebiedende wijs
graas
Voorwaardelijke wijs
zou grazen
Toekomende tijd
zal grazen