inwonen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
live in
Uitspraak: /ˈɪnˌʋoː.nə(n)/
Voorbeeld
Hij besloot tijdelijk bij zijn ouders in te wonen.
Vervoeging
| ik | inwoon |
| jij | inwoont |
| hij | inwoont |
| wij | inwonen |
| jullie | inwonen |
| zij | inwonen |
Verleden tijd
wonde / wonden
Voltooid deelwoord
hebbengeinwond
Gebiedende wijs
won
Voorwaardelijke wijs
zou inwonen
Toekomende tijd
zal inwonen
Scheidbaar werkwoord