koken
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
koken
Uitspraak: /ˈkoː.kə(n)/
Voorbeeld
Ik hou van koken voor mijn familie.
Vervoeging
| ik | kook |
| jij | kookt |
| hij | kookt |
| wij | koken |
| jullie | koken |
| zij | koken |
Verleden tijd
kookte / kookten
Voltooid deelwoord
hebbengekookt
Gebiedende wijs
kook
Voorwaardelijke wijs
zou koken
Toekomende tijd
zal koken