labelen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to label
Uitspraak: /ˈleːbələ(n)/
Voorbeeld
We moeten alle dozen labelen.
Vervoeging
| ik | label |
| jij | labelt |
| hij | labelt |
| wij | labelen |
| jullie | labelen |
| zij | labelen |
Verleden tijd
labelde / labelden
Voltooid deelwoord
hebbengelabeld
Gebiedende wijs
label
Voorwaardelijke wijs
zou labelen
Toekomende tijd
zal labelen