lachen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda2
Vertaling
to laugh
Uitspraak: /ˈlɑ.xə(n)/
Voorbeeld
Ze begon hard te lachen om de grap.
Vervoeging
iklach
jijlacht
hijlacht
wijlachen
jullielachen
zijlachen
Verleden tijd
lachte / lachten
Voltooid deelwoord
hebbengelachen
Gebiedende wijs
lach
Voorwaardelijke wijs
zou lachen
Toekomende tijd
zal lachen
zelfstandig naamwoorda1
Vertaling
laughter
Uitspraak: /ˈlɑxə(n)/
Voorbeeld
Het lachen van de kinderen was aanstekelijk.