leven

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
leven, bestaan
Uitspraak: /ˈleː.və(n)/
Voorbeeld
Zij willen in de stad leven.
Vervoeging
ikleef
jijleeft
hijleeft
wijleven
jullieleven
zijleven
Verleden tijd
leefde / leefden
Voltooid deelwoord
hebbengeleefd
Gebiedende wijs
leef
Voorwaardelijke wijs
zou leven
Toekomende tijd
zal leven
zelfstandig naamwoorda1
Vertaling
leven, bestaan
Uitspraak: /ˈleː.vən/
Voorbeeld
Het leven is mooi.