maar
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
voegwoorda1
Vertaling
maar
Uitspraak: /maːr/
Voorbeeld
Ik wil gaan, maar ik kan niet.
bijwoorda1
Vertaling
maar
Uitspraak: /maːr/
Voorbeeld
Ik wil gaan, maar ik heb geen tijd.