masker
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
zelfstandig naamwoorda2
het
Vertaling
masker
Uitspraak: /ˈmɑs.kər/
Voorbeeld
Hij droeg een masker tijdens het feest.
Meervoud
maskers
Verkleinwoord
maskertje