merken

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda2
Vertaling
opmerken, onderscheiden
Uitspraak: /ˈmɛrkə(n)/
Voorbeeld
Ik merk dat het weer kouder wordt.
Vervoeging
ikmerk
jijmerkt
hijmerkt
wijmerken
julliemerken
zijmerken
Verleden tijd
merkte / merkten
Voltooid deelwoord
hebbengemerkt
Gebiedende wijs
merk
Voorwaardelijke wijs
zou merken
Toekomende tijd
zal merken
zelfstandig naamwoorda2
Vertaling
opmerken, onderscheiden
Uitspraak: /ˈmɛrkə(n)/
Voorbeeld
Er zijn veel merken in de supermarkt.