meten

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda2
Vertaling
to measure
Uitspraak: /ˈmeː.tə(n)/
Voorbeeld
Hij moet de lengte van de tafel meten.
Vervoeging
ikmeet
jijmeet
hijmeet
wijmeten
julliemeten
zijmeten
Verleden tijd
mat / maten
Voltooid deelwoord
hebbengemeten
Gebiedende wijs
met
Voorwaardelijke wijs
zou meten
Toekomende tijd
zal meten