omzien
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb1
Vertaling
to look around
Uitspraak: /ˈɔmˌzin/
Voorbeeld
Hij besloot om niet meer om te zien naar het verleden.
Vervoeging
| ik | omzie |
| jij | omziet |
| hij | omziet |
| wij | omzien |
| jullie | omzien |
| zij | omzien |
Verleden tijd
zide / ziden
Voltooid deelwoord
hebbengeomzid
Gebiedende wijs
zi
Voorwaardelijke wijs
zou omzien
Toekomende tijd
zal omzien
Scheidbaar werkwoord