opblazen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
opblazen
Uitspraak: /ˈɔpˌblaːzə(n)/
Voorbeeld
Ze willen de oude brug opblazen.
Vervoeging
| ik | blaas op |
| jij | blaast op |
| hij | blaast op |
| wij | blazen op |
| jullie | blazen op |
| zij | blazen op |
Verleden tijd
blies op / bliezen op
Voltooid deelwoord
hebbenopgeblazen
Gebiedende wijs
blaas op
Voorwaardelijke wijs
zou opblazen
Toekomende tijd
zal opblazen
Scheidbaar werkwoord