opbouwen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb1
Vertaling
build up
Uitspraak: /ˈɔpˌbɑu̯ə(n)/
Voorbeeld
We moeten het vertrouwen opnieuw opbouwen.
Vervoeging
| ik | bouw op |
| jij | bouwt op |
| hij | bouwt op |
| wij | bouwen op |
| jullie | bouwen op |
| zij | bouwen op |
Verleden tijd
bouwde / bouwden
Voltooid deelwoord
hebbengeopbouwd
Gebiedende wijs
bouw
Voorwaardelijke wijs
zou opbouwen
Toekomende tijd
zal opbouwen
Scheidbaar werkwoord