opflakkeren
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordc1
Vertaling
flare up
Uitspraak: /ˈɔpˌflɑkərə(n)/
Voorbeeld
De ruzie begon weer op te flakkeren.
Vervoeging
| ik | opflakker |
| jij | opflakkert |
| hij | opflakkert |
| wij | opflakkeren |
| jullie | opflakkeren |
| zij | opflakkeren |
Verleden tijd
flakkerde / flakkerden
Voltooid deelwoord
hebbengeopflakkerd
Gebiedende wijs
flakker
Voorwaardelijke wijs
zou opflakkeren
Toekomende tijd
zal opflakkeren
Scheidbaar werkwoord