opliggen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordc2
Vertaling
lie up
Uitspraak: /ˈɔpˌlɪ.xə(n)/
Voorbeeld
Er ligt een boek op de tafel.
Vervoeging
| ik | oplig |
| jij | opligt |
| hij | opligt |
| wij | opliggen |
| jullie | opliggen |
| zij | opliggen |
Verleden tijd
liggde / liggden
Voltooid deelwoord
hebbengeopliggd
Gebiedende wijs
ligg
Voorwaardelijke wijs
zou opliggen
Toekomende tijd
zal opliggen
Scheidbaar werkwoord