opschalen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb2
Vertaling
to scale up
Uitspraak: /ˈɔpsxalən/
Voorbeeld
We moeten de productie opschalen om aan de vraag te voldoen.
Vervoeging
| ik | schaal op |
| jij | schaalt op |
| hij | schaalt op |
| wij | opschalen |
| jullie | opschalen |
| zij | opschalen |
Verleden tijd
schalde / schalden
Voltooid deelwoord
hebbengeopschald
Gebiedende wijs
schal
Voorwaardelijke wijs
zou opschalen
Toekomende tijd
zal opschalen
Scheidbaar werkwoord