passen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
passen
Uitspraak: /ˈpɑsə(n)/
Voorbeeld
Deze schoenen passen perfect.
Vervoeging
| ik | pas |
| jij | past |
| hij | past |
| wij | passen |
| jullie | passen |
| zij | passen |
Verleden tijd
paste / pasten
Voltooid deelwoord
hebbengepast
Gebiedende wijs
pas
Voorwaardelijke wijs
zou passen
Toekomende tijd
zal passen