pijpen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda2
Vertaling
pipes
Uitspraak: /ˈpɛi̯.pə(n)/
Voorbeeld
Hij moest de leidingen pijpen.
Vervoeging
| ik | pijp |
| jij | pijpt |
| hij | pijpt |
| wij | pijpen |
| jullie | pijpen |
| zij | pijpen |
Verleden tijd
pijpte / pijpten
Voltooid deelwoord
hebbengepijpt
Gebiedende wijs
pijp
Voorwaardelijke wijs
zou pijpen
Toekomende tijd
zal pijpen
zelfstandig naamwoorda2
Vertaling
pipes
Uitspraak: /ˈpɛi̯.pə(n)/
Voorbeeld
De pijpen in het huis zijn oud.