pissen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda2
Vertaling
plassen
Uitspraak: /ˈpɪ.sən/
Voorbeeld
De kat ging naar buiten om te pissen.
Vervoeging
ikpis
jijpist
hijpist
wijpissen
julliepissen
zijpissen
Verleden tijd
piste / pisten
Voltooid deelwoord
hebbengepist
Gebiedende wijs
pis
Voorwaardelijke wijs
zou pissen
Toekomende tijd
zal pissen