plannen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda2
Vertaling
plan
Uitspraak: /ˈplɑnə(n)/
Voorbeeld
We moeten de vakantie goed plannen.
Vervoeging
ikplan
jijplant
hijplant
wijplannen
jullieplannen
zijplannen
Verleden tijd
plannde / plannden
Voltooid deelwoord
hebbengeplannd
Gebiedende wijs
plann
Voorwaardelijke wijs
zou plannen
Toekomende tijd
zal plannen
zelfstandig naamwoorda2
Vertaling
plan
Uitspraak: /ˈplɑnə(n)/
Voorbeeld
We plannen een reis naar Italië.