repareren

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda2
Vertaling
repareren
Uitspraak: /reːpaˈreːrə(n)/
Voorbeeld
Hij moet zijn fiets repareren.
Vervoeging
ikrepareer
jijrepareert
hijrepareert
wijrepareren
jullierepareren
zijrepareren
Verleden tijd
repareerde / repareerden
Voltooid deelwoord
hebbengerepareerd
Gebiedende wijs
repareer
Voorwaardelijke wijs
zou repareren
Toekomende tijd
zal repareren