rijden

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
rijden
Uitspraak: /ˈrɛi̯.də(n)/
Voorbeeld
Ik kan nog niet autorijden.
Vervoeging
ikrijd
jijrijdt
hijrijdt
wijrijden
jullierijden
zijrijden
Verleden tijd
reed / reden
Voltooid deelwoord
hebben/zijngereden
Gebiedende wijs
rij
Voorwaardelijke wijs
zou rijden
Toekomende tijd
zal rijden