roepen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
roepen
Uitspraak: /ˈru.pə(n)/
Voorbeeld
Hij roept zijn hond.
Vervoeging
ikroep
jijroept
hijroept
wijroepen
jullieroepen
zijroepen
Verleden tijd
riep / riepen
Voltooid deelwoord
hebbengeroepen
Gebiedende wijs
roep
Voorwaardelijke wijs
zou roepen
Toekomende tijd
zal roepen